|
|
Mihintale, ong 11 km van Anuradhapura, is een andere belangrijke
bedevaartsplaats voor de boeddhisten van Sri lanka.
Volgens de legende kwam in 247 v chr., in juni bij volle maan, prins Mahinde door de lucht
uit India naar Sri Lanka. Hij daalde neer in de heuvels van Mihintale. Mahinde was de zoon
van de machtige keizer Ashoka, die bij zijn veroveringen veel bloed had vergoten. Om zijn
knagende geweten te sussen, ging Ashoka over tot het boeddhisme, een leer van
vergevingsgezindheid en vredelievendheid. Hij zond boeddhistische missionarissen naar
andere landen; zo stuurde hij zijn zoon Mahinda met een aantal volgelingen naar Sri Lanka
om ook daar het boeddhisme te brengen. Koning Davanampiya Tissa ontmoette Mahinda tijdens
een jachtpartij in de bossen. Daar deelde Mahinda hem de boodschap van zijn vader mee:
?bekeer u tot het boeddhisme koning?. De koning nam het geloof aan en zijn volk volgde hem.
Op het Poson-feest ? bij volle maan in juni ? trekken duizenden pelgrims naar Mihintale om
de komst van het boeddhisme op het eiland te herdenken. Zij beklimmen dan de 1840 treden
om lotusbloemen en jasmijnen te brengen naar de plek waar prins Mahinda de beroemde
ontmoeting had.
Vanaf het plateau kan via uitgehakte treden de rots Aradhana Gala
beklommen worden, op deze rots onderrichtte Mahinda zijn leerlingen

Pollonnaruwa werd in 846 de officiele hoofdstad van het land. In de 11e eeuw waren grote
delen van het eiland in handen van Tamils en Chola?s uit India, maar in 1070 wist koning
Vijaya Bahu de indringers te verdrijven. Onder de regering vaan zijn kleinzoon
Parakrqama Bahu (1153-1186) beleefde de stad haar grootste bloei. De koning liet het
grote meer Parakrama Samudra graven en verfraaide de stad met vele gebouwen. Het meer is
het grootste van alle kunstmatige meren (tanks) op het eiland en de bron van een uitgebreid
irrigatiesysteem.
Zijn opvolger, Nissanka Malla, leed aan grootheidswaanzin en putte het rijk uit door zijn
al te uitbundige bouwlust. Diens opvolgers, moe geworden van de voortdurende aanvallen van
de Tamils, gaven in het begin van de 14e eeuw Polonnaruwa als hoofdstad op. Onopgemerkt
vervielen de tempels en andere gebouwen tot ruïnes; de jungle overwoekerde de wegen en
monumenten. In de 19e eeuw begonnen Britse archeologen met het blootleggen van de stad,
gevolgd door de restauratie.

Verayanta Pasada

Gal Vihara
Een beroemde rotstempel met 4 enorme
uit de granieten rots gehouwen beelden


Toen de Tamils de hoofdstad Anuradhapura bezetten, vluchtte koning Valagam Bahu naar de
grotten van Dambulla.
Vandaar uit wist hij in 103 v Chr. zijn hoofdstad te heroveren.
Uit dankbaarheid liet hij de grotten ombouwen tot tempels,
die later door verscheidene
koningen met 153 beelden van Boeddha en verschillende Hindoe-goden werden verfraaid terwijl
de
wanden beschilderd zijn met kleurrijke fresco's.
Het beroemde tempel- en grottencomplex staat op de lijst van werelderfgoederen.


De circa 100 meter hoge top van de rots biedt een schitterend uitzicht op de omgeving. Men beschouwt deze zgn.'Gouden Rots' als het geografische middelpunt van het eiland